Gebruik - BAMO WaveNet-radiotester

OPMERKING
Negatieve effecten door verandering van de locatie van het basisstation
Een verandering van de locatie van het basisstation verandert alle eerder behaalde meetresultaten.
- Wijzig daarom de locatie van het basisstation niet voordat de metingen zijn afgerond.
Voorbereiding
- Basisstation en mobiel apparaat, resp. accessoires onbeschadigd.
- Batterij van het mobiele apparaat compleet opgeladen (zie Batterijtest en batterijvervanging).
- Schroef de antenne vast op het basisstation.
- Plaats het basisstation op de geplande locatie van de RouterNode.
- Stel het basisstation dusdanig op dat de antenne verticaal staat.
- Sluit het basisstation aan op de voeding.
- Groene LED in het basisstation knippert.
- Doe de batterij in het mobiele station.
- Schakel het mobiele apparaat in met de On/Off-schakelaar.
- Alle LED's branden korte tijd.
- De Ready-LED brandt korte tijd.
- De Ready-LED knippert.
- BAMO klaar voor gebruik.
Wanneer de Error-LED continu brandt, bestaat er een defect van de hardware.
Meting
- BAMO klaar voor gebruik.
- Ga naar het sluitelement waarvan u wilt testen of WaveNet het goed kan bereiken. Sluit daarbij alle deuren tussen het basisstation en het sluitelement dat getest moet worden.
- Zet de Sig-/Noise-schakelaar op de stand Sig (signaalmeting).
- Houd het mobiele apparaat met uitgestrekte arm naast het sluitelement met de LockNode.
- Druk dan op de toets Activate.
- Signaalsterkte wordt gemeten en weergegeven (zie tabel).
- Overdracht datapakket wordt gemeten en weergegeven (zie tabel).
- Herhaal de meting van de signaalsterkte twee keer.
- Zet de Sig-/Noise-schakelaar op de stand Noise (storingssignaalmeting).
- Houd het mobiele apparaat met uitgestrekte arm naast het sluitelement met de LockNode.
- Druk dan op de toets Activate.
- Signaalsterkte van het storingssignaal wordt gemeten en weergegeven (zie tabel).
signaalsterkte |
| Verbinding bruikbaar (3060) | Verbinding bruikbaar (SmartIntego) |
|---|---|---|---|
100%-80% | Optimaal | Ja | Ja |
70% | Voldoende | Ja | Ja |
60% | Voldoende | Ja | Nee |
50%-40% | Voldoende | Ja | Nee |
30%-10% | Te zwak | Nee | Nee |
Geen weergave | Geen verbinding. | Nee | Nee |
Overdracht datapakket |
| Verbinding bruikbaar (3060) | Verbinding bruikbaar (SmartIntego) |
100%-80% | Goed | Ja | Ja |
70%-10% | Slecht | Nee | Nee |
Geen weergave | Geen verbinding. | Nee | Nee |
Wanneer een van de verbindingen niet bruikbaar is, staan u de volgende mogelijkheden ter beschikking:
- herhalen van de meting.
- Verklein de afstand tussen het basis- en het mobiele station.
- Plaats nog een extra RouterNode om de dekkingsgraad te verbeteren en meet eveneens vanaf deze positie.
Sterkte storingssignaal |
| Verbinding bruikbaar (3060) | Verbinding bruikbaar (SmartIntego) |
|---|---|---|---|
Geen weergave | Geen storingssignaal | Ja | Ja |
100%-10% | Storingssignaal | Nee | Nee |
Wanneer bij de meting een storingssignaal wordt vastgesteld, dan zendt een ander apparaat op dezelfde of een vergelijkbare frequentieband. Neem in dit geval contact op met de SimonsVoss Technologies GmbH.
OPMERKING
Aanvullende controle in de WaveNet Manager
De signaalsterkte in de WaveNet Manager moet tussen 0 dBm en -70 dBm liggen.
Als de signaalsterkte tussen -75 dBm en -90 dBm ligt, kan de verbinding en communicatie tussen de apparaten traag of onderbroken worden, en zal er ook een hoger stroomverbruik zijn.
- Controleer de dBm-waarden in de WaveNet Manager en voeg indien nodig extra routers of antennes toe.
Toelichting bij strengere SmartIntego-waarden
Vanwege de werking van het systeem zijn de waarden bij SmartIntego strenger geconcipieerd. Het gebruik van de communicatie is als volgt onderverdeeld:
bij het openen van de deur staat de kaarthouder vaak tussen het sluitelement en de gatewaynode en onderdrukt op die manier het signaal extra:
